Category Archives: Educatie

Een gedenkteken voor 710 Haarlemse Joden

Over de deportatie van Haarlemse Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is in Haarlem weinig bekend. Daar wil Joodshaarlem.nl iets aan doen. Joodshaarlem.nl zet zich al geruime tijd in voor de realisatie van een gedenkteken ter nagedachtenis van de Haarlemse Joden die gedeporteerd werden en omgekomen zijn in de vernietigingskampen. Tussen 1942 en 1945 zijn in de vernietigingskampen omgeveer zes miljoen Europese Joden vermoord, waaronder 710 Joden die uit Haarlem kwamen.

Anti-joodse gevoelens in Nederland
Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog was het antisemitisme in Nederland geconcentreerd in de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert. Deze politieke partij groeide tijdens de Tweede Wereldoorlog van 32.000 leden in 1940 naar ruim 100.000 leden in 1943. De Nationaal-Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij (NSNAP) die in 1931 werd opgericht was nog veel antisemitischer dan de NSB. Ernst Herman Ridder van Rappard, de leider van de NSNAP, richtte zich geheel op de NSDAP van Hitler en ook op diens antisemitisme. Bijzonder antisemitisch was ook het Zwart Front van Arnold Meijer. Meijer richtte zich echter meer op Mussolini dan op Hitler.
Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, bepleitte de NSB voor Nederland “strikte neutraliteit”. Haar sympathie stond geheel aan de Duitse kant: zij verwachtte als resultaat van de oorlog een ‘nieuw Europa’ op nationaalsocialistische grondslag onder Duitse hegemonie. Nederland zou daarin nog slechts een plaats kunnen vinden als het Mussert en de NSB aan de macht bracht. Tijdens de meidagen van 1940 werden ongeveer 10.000 NSB’ers gevangengezet. Hun bevrijding door de Duitsers versterkte hun neiging om met de bezetters samen te werken. Op de ‘hagespraak’ van 22 juni 1940 te Lunteren schaarde Mussert zich volledig aan de Duitse kant: voor hem en zijn aanhang was de oorlog met Duitsland afgelopen en had het Oranjehuis de troon verspeeld. Een jaar na de Duitse inval (1941) in Nederland werden alle politieke partijen behalve de NSB verboden.

De Duitse bezetters hebben samen met de NSB de joden stapsgewijs van de overige Nederlanders afgezonderd en geïsoleerd. Het begon met een maatregel die op het eerste gezicht weinig voorstelde. Vanaf 1 juli 1940 mochten joden niet langer deel uitmaken van de Luchtbeschermingsdienst. Maar al snel volgden andere uitsluitingen. In september 1940 werd het aan Nederlandse overheidsinstellingen verboden joodse ambtenaren in dienst nemen of te bevorderen. Iedereen die, in wat voor vorm ook, in dienst was van de overheid moest een verklaring indienen. Daarin moest hij of zij aangeven of hij jood was, maar ook of zijn echtgeno(o)t(e) of verloofde dat was. Deze verklaring, die bekend kwam te staan als ‘Ariërverklaring’, is door bijna alle Nederlandse ambtenaren ingevuld. Automatisch volgde het besluit op 21 november 1940: joden werden uit overheidsdienst ontslagen. Aan de Universiteit Leiden protesteerde Rudolph Cleveringa hiertegen in een beroemd geworden toespraak en studenten staakten. Daarop sloten de Duitsers de universiteit. In januari 1941 werd bepaald dat alle Joden zich moesten laten registreren. Daarna nam hun uitsluiting gaandeweg akeliger vormen aan.

Haarlemse Joden
Aan het einde van de negentiende eeuw namen het aantal joden en de activiteiten van de joodse gemeenschap in Haarlem, mede onder invloed van de industrialisatie, toe. Een belangrijke rol in het godsdienstige leven speelde Rabbijn Simon Ph. de Vries, een voorvechter van het zionisme.
Vanaf het begin van de twintigste eeuw werden in joods Haarlem diverse nieuwe verenigingen opgericht op godsdienstig, cultureel, maatschappelijk en zionistisch gebied. In een vleugel van het St. Elisabeth Gasthuis, een algemeen ziekenhuis, werd in 1930 een joods ziekenhuis gevestigd. In 1936 werd Haarlem de residentie van het provinciale opperrabbinaat.
Door de komst van vluchtelingen uit Duitsland nam de joodse bevolking van Haarlem in de dertiger jaren aanzienlijk toe.

Haarlem in het begin van de oorlog
Het bericht over de capitulatie (overgave) veroorzaakte bij veel mensen paniek. In de paar oorlogsdagen hadden velen geprobeerd, via IJmuiden met een schip naar Engeland te vluchten. Voor veel geld was het een aantal gelukt. Anderen keerden teleurgesteld en zonder hoop naar Haarlem terug. Er heerste angst. Zo langzamerhand was men veel te weten gekomen over de vervolging van joden, communisten en socialisten en andere mensen die het niet eens waren met Hitler. In de nacht van 14 op 15 mei pleegden tientallen joodse burgers zelfmoord.

In de meidagen bleef Haarlem onbeschadigd. Op 15 mei 1940 riep de burgemeester van Haarlem, de heer De Vos van Steenwijk de bevolking op om bij de komst van de Duitsers rustig te blijven.

Die woensdagmiddag om twee uur verschenen de eerste Duitsers op de Grote Markt. Het waren gemotoriseerde troepen en enkele pantserwagens. Later volgden er meer. Veel mensen stonden nieuwsgierig hun aankomst op te wachten.
De Duitsers werden ondergebracht in Haarlemse hotels en scholen. De eerste “Ortskommandant”, majoor Freude, nam zijn intrek in enkele zalen van restaurant Brinkmann. De politie leende op verzoek enkele dienstfietsen. Haarlemse bedrijven leverden typemachines en ander kantoormateriaal.

Na een paar maanden verhuisde de Ortskommandantur naar Hotel Den Hout aan de Dreef, dat in de oorlog het Duitse hoofdkwartier in Haarlem werd. Voor de huisvesting van Duitse instellingen werden in 1940 zeventig gebouwen gevorderd. De belangrijkste, zoals de “Sicherheitsdienst”, de SS en het bureau van de Rijkscommissaris zaten aan het Kenaupark. Daar werden bijna alle gebouwen door de Duitsers gebruikt.

Die eerste weken van de Duitse bezetting wachtte de Haarlemse bevolking af wat er ging gebeuren. Tot verwondering van de mensen gedroegen de Duitsers zich netjes. De soldaten verschenen op straat, betaalden voor hun inkopen in de winkels, streelden de kinderen over hun haar en lachten tegen de meisjes. De kranten schreven over de beleefdheid van de Duitse militair. In Den Haag hield Seyss-Inquart, het nieuwe hoofd van het landsbestuur, een toespraak waarin hij de Duitse soldaten het bevel gaf al het mogelijke te doen om de Nederlanders voor zich te winnen.

De mensen van de politie en de ambtenaren hadden het moeilijk. Op het hoofdbureau, in de Smedestraat, wist men wie met de Nazi-ideeën sympathiseerde. Maar wat moest men doen? Nam je ontslag, dan kwam een NSB-aanhanger voor je in de plaats. Als je bleef zitten, dan moest je met de Duitsers samenwerken. Op het stadhuis stonden de ambtenaren voor hetzelfde probleem.
De meeste Haarlemmers pakten het gewone leven weer op. Men ging aan het werk, of naar school en de vrije tijd bracht men door zoals men dat gewend was. Op zondag naar de kerk. Maar af en toe werden de mensen er hardhandig aan herinnerd, dat er wél iets aan de hand was.

Al gauw werd duidelijk dat de Duitsers niet tevreden waren over het Haarlems bestuur. De burgemeester vernam in het voorjaar van 1941 uit de krant dat hij was ontslagen, mede door de deelname van Haarlem aan de februaristaking van 1941. In zijn plaats werd een NSB-burgemeester benoemd, de heer S.L.A. Plekker, die natuurlijk Slaap Lekker werd genoemd. In dezelfde tijd werd bepaald dat de gemeenteraad het werk zou “laten rusten”; een uitdrukking, die de indruk moest wekken dat men na enige tijd weer bijeen zou komen. De socialistische wethouders Reinalda en Westerveld namen na de komst van Plekker onmiddellijk hun ontslag.
Op bevel van Seyss-Inquart werden de straatnamen gezuiverd, ze mochten niet herinneren aan leden van het Koninklijk Huis, of aan Joodse figuren uit onze geschiedenis. De Wilhelminastraat werd Schouwburgstraat en het Julianapark heette vijf jaar Verlengde Gen.Cronjéstraat.

S.L.A. Plekker had carrière gemaakt in Nederlandsch-Indië bij de Delimaatschappij. Bij terugkeer in Nederland vestigde hij zich als rentenier in Haarlem. Hij meldde zich in 1932 aan bij Anton Mussert’s Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) en ontving het stamboeknummer 986. Hij werd uiteindelijk districtsleider van de NSB in zijn woonplaats. Als zodanig ontpopte hij zich als medestander van Mussert in diens strijd met de “volks-radicale” stroming die werd geleid door Meinoud Rost van Tonningen.
In de meidagen van 1940 werd Plekker door het Nederlandse gezag geïnterneerd. Na de capitulatie benoemde Mussert hem tot gemachtigde in algemene dienst. Op 10 maart 1941 aanvaardde Plekker zijn benoeming door de Duitse bezetter tot regeringscommissaris (‘burgemeester’) van Haarlem. Een bekend rijmpje uit de bezettingstijd luidde als volgt (Geuzenliedboek 1940-1945):

Op S.L.A. Plekker:
Hij klom op langs de ruggen
Van honderdduizend muggen.
Nu hoont hem ‘t volk: Slaap Lekker!
Straks dreigt de kreet: Sla Plekker!

Na de oorlog kreeg Plekker een gevangenisstraf van anderhalf jaar voor het ‘aanvaarden en uitoefenen in nationaal-socialistische geest van het burgemeesterschap van Haarlem.’

Maatregelen tegen de Joden
Kort na de bezetting werden de joodse vluchtelingen uit Duitsland gedwongen de kuststreek, dus ook Haarlem, weer te verlaten. Haarlem geniet de trieste primeur op 1 april 1941 de eerste stad in Nederland te zijn geweest waar het aan joden verboden werd in allerlei publieke lokaliteiten zoals café’s, restaurants, hotels, schouwburgen, bioscopen, parken, zwembaden e.d. te komen. Overal verscheen het bordje “Verboden voor Joden”. Dat was het ‘visitekaartje’ van de in maart 1941 aangetreden NSB burgemeester Plekker.

Bij Plekker moesten de joden vanaf april 1941 ook aankloppen als ze wilden verhuizen. Zonder speciale toestemming was dat verboden. Ongeveer tezelfdertijd kwamen joodse ondernemingen onder beheer te staan van een Duitse ‘Verwalter’ (bestuurder). Meestal leidde dat tot opheffing van de, feitelijk onteigende, bedrijven. Ingaande mei 1941 mochten joodse advocaten, notarissen en dergelijke voortaan alleen nog maar joodse cliënten hebben. Met ingang van het schooljaar 1941/42 moesten joodse leerlingen naar speciale joodse scholen gaan, een apart Joods lyceum werd opgericht in de Schouwburgstraat (Wilhelminastraat).
In Haarlem werd eerst een vertegenwoordiging van de Joodse Coördinatie Commissie opgezet. Om zijn betrekkingen met de joodse Haarlemmers gemakkelijker te maken stelde Plekker een Haarlemse Joodse Raad in. De leden daarvan waren Barend Chapon, opperrabbijn Frank, die de leiding had over beide organisaties, en het door de Duitsers afgezette raadslid Drilsma. Alle contacten van de joden moesten via deze raad gaan.
Op 29 april 1942 werd de jodenster ingevoerd die altijd buitenshuis, ook op het balkon en in de deuropening, zichtbaar op de kleding aanwezig moest zijn.

Ruim een jaar daarvoor had een inventarisatie plaatsgevonden van de joodse bevolking. Op 10 januari 1941 was namelijk bekendgemaakt dat joden zich binnen vier weken dienden aan te melden bij de afdeling bevolking op het stadhuis. Die meldingsplicht gold niet alleen voor “Volljuden”. Iedereen met ten minste één joodse grootouder moest eraan voldoen. Waarschijnlijk hebben bijna alle, zoniet alle, joden gehoor gegeven aan de oproep zich te melden. Het was moeilijk om daar onder uit te komen, want in Haarlem liepen verraders rond. Op het stadhuis kwamen anonieme briefjes binnen met teksten als: ‘Mijnheer de wethouder, bij de Haarlemsche Orkestvereeniging speelt jood X, die zich niet heeft aangemeld’. Daarop volgde steevast een onderzoek. In het bevolkingsregister kregen de persoonskaarten van joodse Haarlemmers een apart ruitertje. Zo konden ze gemakkelijk gevonden worden als dat nodig mocht zijn.

In mei 1942 waren de joden bijna geheel geïsoleerd. Joodse ambtenaren waren ontslagen, joodse ondernemers onteigend, joodse kinderen van de gewone scholen verwijderd. In openbare lokaliteiten mochten joden niet meer verschijnen. Op straat waren ze herkenbaar aan hun sterren. Bijna zeventig werkloze, oftewel werkloos gemaakte, joodse Haarlemmers zijn in het voorjaar van 1942 naar Nederlandse werkkampen in Vledder en Ommen gestuurd. Daarmee was de deportatie van de joodse bevolking uit Haarlem begonnen. Vanaf augustus 1942 begonnen de deportaties.

Deportaties uit Haarlem
Op 13 augustus 1942 stelde de afdeling bevolking van de gemeente Haarlem in opdracht van de Duitsers een lijst samen met de namen en adressen van joodse inwoners. Met behulp van dat soort lijsten organiseerde de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung de deportatie van de joden. Die Zentralstelle bevond zich in Amsterdam. Het was een afdeling van de S.S. die zich verschool achter weer zo’n cynisch eufemisme – Auswanderung betekent emigratie – maar zich feitelijk bezighield met deportatie van joden naar de vernietigingskampen.

Op maandag 24 augustus 1942 ontvingen 650 Haarlemse joden een brief met de opdracht zich de volgende dag te melden in de Bavoschool aan de Westergracht, hoek Leidsevaart. Zo’n 230 oudere joodse Haarlemmers zouden naar Westerbork gebracht worden, de overigen kregen te horen dat ze naar Duitsland moesten om er te werken. In juli 1942 was ‘Westerbork’ in Drenthe – vóór de oorlog een kamp voor naar Nederland gevluchte Duitse joden – uitgebreid om dienst te doen als tussenstation.
Van de 650 aangeschrevenen meldden zich slechts 149. De Duitsers waren zeer ontevreden over het te kleine aantal dat zich meldde en hielden een razzia in de avonduren. Bij deze inderhaast georganiseerde razzia pakten de Duitsers nog dertig joden op. In andere Nederlandse steden vonden vergelijkbare acties plaats en ook daar meldde zich slechts een deel van de opgeroepenen.

In de nacht van 25 op 26 augustus 1942 vertrok vanaf het rangeerterrein bij de Westergracht met een speciale trein de eerste deportatie van deze 179 Haarlemse joden. De trein bracht ze naar het kamp Westerbork. Op 28 augustus zijn 110 van hen met de trein, in veewagens, naar het vernietigingskamp Auschwitz gedeporteerd. Ze kwamen daar op 31 augustus aan en werden direct naar de gaskamers gevoerd en vermoord. Van het bestaan van gaskamers in de Duitse kampen was toen nog niemand in Nederland op de hoogte. Vanuit Westerbork vertrokken wekelijks, meestal op dinsdag, de volgeladen treinen naar Auschwitz of Sobibor.

De joodse gemeente kreeg een zware slag te verduren. Op 31 januari werd een Duitse onderofficier neergeschoten en werd een mislukte aanslag op Plekker gepleegd. De bommen ontploften in zijn tuin. Een honderdtal Haarlemmers werd hierom ´s nachts van hun bed gelicht en naar het concentratiekamp in Vught overgebracht. De inwoners van Haarlem mochten zich na zes uur niet meer op straat bevinden. Op 2 februari 1943 werden als vergeldingsmaatregel tien gijzelaars in de duinen bij Bloemendaal neergeschoten. Daaronder bevonden zich de drie leden van de Haarlemse Joodse Raad: Barend Chapon, opperrabbijn Frank en het oud-raadslid Drilsma.

Ontevreden met de resultaten besloot de Zentralstelle tot een andere aanpak. Op 9 februari 1943 kregen alle in Haarlem overgebleven joden een schriftelijke aanzegging dat ze binnen een week dienden te verhuizen naar Amsterdam. Ze moesten zich daar vestigen in het ‘jodenkwartier’.
De brief, ondertekend door de NSB-burgemeester S.L.A. Plekker begint als volgt:
‘Ter voldoening aan een daartoe ontvangen opdracht van de Duitsche autoriteiten breng ik te uwer kennis, dat Gij met Uw gezin vóór 15 februari a.s. deze gemeente moet hebben verlaten. Als woonplaats wordt aangewezen de gemeente Amsterdam waar Gij U kunt vestigen’.

Na het verstrijken van die termijn was Haarlem voor joden verboden gebied. Hun deportatie naar Westerbork, en verder naar de vernietigingskampen, vond voortaan plaats vanuit de hoofdstad.

In 1942 en 1943 verlieten vijfhonderdzeventwintig joden Haarlem zonder een adres achter te laten. In de bevolkingsadministratie kregen ze de aantekening VOW: Vertrokken Onbekend Waarheen. Velen hiervan bleken te zijn ondergedoken. Na de oorlog kwamen er tweehonderdnegenendertig, 16 % van het totaal aantal joden in 1941, weer in Haarlem terug.

Conclusie
Inmiddels is bekend dat er 710 van de Haarlemse joden niet meer zijn terug gekeerd uit de vernietigingskampen. Chris Hahn van Joodshaarlem.nl heeft hierom een virtueel monument voor opgezet in de vorm van een internetpagina met alle namen van de vermoorde Haarlemse Joden.
710 inwoners van Haarlem die in de 2e wereldoorlog louter om hun joodse afkomst werden weggevoerd en vermoord. Joodshaarlem.nl vraagt hiervoor aandacht en wil voor deze gebeurtenis een gedenkteken in het leven roepen om zo die 710 Haarlemse Joden te kunnen gedenken. Voorts denkt Joodshaarlem.nl er over om elk jaar een (nacht-) wake te gaan organiseren op 25/26 augustus.

Een verdoezelde geschiedenis

Naar schatting 12.000 ‘joodse’ percelen werden in de oorlog onrechtmatig onteigend. Een daarvan is de voormalige synagoge in Haarlem.

Door: Danielle Pinedo

We schrijven zaterdag 11 april 1953. De meeste Haarlemmers liggen nog op één oor, als er brand uitbreekt in een gebouw aan de Lange Begijnestraat, pal naast het Concertgebouw. Het gaat om een pand van de Grafische Inrichting Joh. Enschedé & Zn. Alleen opmerkzame omstanders verbazen zich over de bestemming die dit prachtige neogotische bouwwerk ten deel was gevallen: een opslagruimte voor papier en karton.

Die middag doet het Haarlems Dagblad verslag van de brand die, dankzij daadkrachtig ingrijpen van de plaatselijke brandweer, tijdig kan worden geblust. De verslaggever schetst ook een beknopte geschiedenis van het pand, dat voor de oorlog dienst deed als gebedsruimte voor de joodse inwoners van Haarlem. ,,In de bezetting”, zo schrijft hij ,,moest de synagoge gesloten worden en de Israëlitische gemeente verhuurde het gebouw aan de Grafische Inrichting Joh. Enschedé en Zonen N.V. Na de bevrijding was de Joodse gemeente zo klein geworden, dat zij geen behoefte meer had aan een grote synagoge. Daarom is het gebouw aan de Grafische Inrichting verkocht. In de bezetting had dit bedrijf geen verandering in het interieur gemaakt.”

Volgens de schrijvers van het boekje Kom ga sjoelen! Bijdragen over de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Haarlem (1999) staat deze voorstelling van zaken haaks op de werkelijkheid. De auteurs doken diverse archieven in en reconstrueerden ‘een verdoezelde geschiedenis’: de ontruiming, ontheiliging en – illegale – inbeslagname van een gebedshuis dat voor de oorlog wekelijks door enkele honderden gelovigen werd bezocht.

Wie oude foto’s van de voormalige synagoge ziet, moet vaststellen dat het monumentale pand veel van zijn grandeur heeft verloren. Uit archieven van de Politieke Opsporings Dienst (POD) blijkt dat een lokaal slopersbedrijf het pand – daags na de deportatie van de laatste Haarlemse joden in 1943 – ontruimde en de inventaris op eigen terrein achterliet. Wie hiertoe de opdracht gaf, is niet te achterhalen. Opmerkelijk is wel dat de firma Enschedé in 1944 een bedrag van 440 gulden in rekening bracht bij het ‘Commissariaat van niet-commerciële vereenigingen en stichtingen’ voor ontruiming van zowel de synagoge als de voormalige joodse school in de Lange Wijngaardstraat. De vraag is alleen: waarom?

Een oude doos met ‘huurontvangsten’ in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag biedt uitkomst. Het Commissariaat, dat ‘joods’ onroerend goed voor de Duitsers beheerde, blijkt beide panden tijdens de oorlog aan de papierfabrikant te hebben verhuurd: 166,67 gulden per maand voor de synagoge, 125 voor de joodse school. De 227 joden die zich na de bevrijding weer bij de gemeente Haarlem meldden, zijn onaangenaam verrast wanneer blijkt dat zowel de inventaris als de glas-in-loodvensters van ‘hun’ synagoge ontbreken. De kerkenraad van de Nederlands Israelietische Gemeente schat de restauratiekosten op ‘ettelijke tienduizenden guldens’, zo blijkt uit notulen daterend van september 1945. De voorlezer van de Israëlietische Gemeente dient een aanklacht in tegen slopersbedrijf D.K. Michel. Niets wijst er dan nog op dat dit bedrijf slechts een onbeduidend schakeltje is in een veel groter geheel.

De POD doet hier en daar wat navraag. Een niet te achterhalen bron vertelt de opsporingsambtenaar dat de firma Enschedé de ‘gebouwen van de joden’ veiligstelde en de meubels op zolder opborg. Helaas kon niet worden verhinderd dat slopersbedrijf Michel de inventaris weghaalde. ,,Een vage aanklacht”, aldus de conclusie van de opsporingsambtenaar, die de zaak seponeert. Een broer van de sloper meldt, blijkens hetzelfde dossier, dat D.K. Michel het sloperswerk ,,heeft aangenomen”. Wie de opdrachtgever was, wordt niet achterhaald. Maar eigenlijk doet dat er niet eens zoveel toe; de joodse overlevenden willen zo snel mogelijk hun synagoge terug – met of zonder inventaris. In gedachten zijn ze al begonnen met een inzamelingsactie onder de Haarlemse burgerij.

Zover komt het nooit. Enschedé komt tot de conclusie dat het bedrijf de kostbare magazijnruimte niet kan missen. De gelovigen krijgen een lokaal in het voormalige schoolgebouw toegewezen en ontvangen vanaf dan de huur die tijdens de oorlog naar het Commissariaat werd overgemaakt. Ruim een jaar later maakt directeur Huysman bekend dat zijn firma de synagoge ,,voor een redelijk bedrag” – en onder strikte geheimhouding – wil kopen. Hij biedt zelfs aan als onderhandelaar voor de Haarlemse joden op te treden bij gesprekken met het stadsbestuur over een bouwvergunning voor een gebedshuis elders in de stad. Als die beloftes ruim een jaar later nog niet zijn ingelost, wordt Enschedé een ultimatum gesteld: binnen drie maanden eruit of gerechtelijke stappen. Na veel getouwtrek over het ‘synagoge-probleem’ wordt het pand in mei 1949 voor 150.000 gulden verkocht. Een bedrag dat toereikend is voor de aankoop en verbouwing van een villa aan het Kenaupark.

De auteurs van Kom ga sjoelen hebben de hand weten te leggen op een exemplaar van het personeelsblad van Enschedé, vlak na de brand. Op de voorpagina staat een verslag van de brand, geschreven door C. Spoelder, hoofd van de vrijwillige brandweer. ,,Een fascinerend schouwspel van de oude synagoge, die van voren tot achteren een bonk vuur vormde”, aldus de ooggetuige. Als ,,het wilde dier” met tien brandslangen is bedwongen genieten hij en zijn collega’s nog eens rustig na onder het genot van een kopje koffie.

Kees van der Linden, Jaap Temminck, Wim de Wagt. Kom ga sjoelen, uitgeverij De Frieseborch, Haarlem, 1999.